Weeshuis aan het 's Gravenhof

Eeuwen lang vormden wezen in de samenleving een kwetsbare groep. Het verlies van een vader of moeder of nog erger, van beiden, maakte het kind uiterst kwetsbaar in een wereld waarin sociale zorg heel anders was geregeld dan vandaag de dag.

In de stadspoorten

In de middeleeuwen was het de normale gang van zaken dat wezen werden ondergebracht bij naaste familie of bekenden om in een nieuw gezin verder op te groeien. Wanneer er niemand gevonden kon worden om deze taak op zich te nemen vielen de kinderen terug op de stedelijke overheid. Zo vertrouwde de Zutphense magistraat, zoals het stadsbestuur toen genoemd werd, deze ouderloze kinderen toe aan de kerkmeesters die het beheer voerden over de St. Walburgskerk. De kerkmeesters zochten een geschikte plaats voor de wezen bij bepaalde burgers van de stad. Na het bereiken van de leeftijd van acht jaar kwamen de wezen in een dienstbetrekking of werd er naar een ambacht gezocht. Voor hun onderhoud moesten zij al bedelend door de stad trekken. Veel van de jeugdige wezen woonden in de stadspoorten en waren aangewezen op de verzorging door de “stadsportiers” die ze
“als oir eygen kind to bewaeren, to voeden ende op te trekken”.

 Tussen 1550 en 1650 veranderde de houding ten opzichte van de wezen. De overheid, soms op eigen initiatief, soms op initiatief van particulieren, ging over tot het stichten van zogenoemde weeshuizen. Deze waren uitsluitend bestemd voor de opvang en verzorging van burgerweeskinderen. Dat wil zeggen van kinderen waarvan de overleden ouders burgers waren geweest van Zutphen. Kinderen van overleden ouders die niet aan deze kwalificatie voldeden waren aangewezen op de plaatselijke armenzorg van de kerk, meestal de diakonie.

Zo ontstonden naast de burgerweeshuizen diakonie-weeshuizen. Het burgerweeshuis in Zutphen werd opgericht in 1564 en bevond zich in de Waterstraat op de hoek van het 's-Gravenhof. Het huis stond onder bestuur van vier 'wesemeisteren', later provisoren genoemd. Joan Bleau, locatie hoek Waterstraat - 's Gravenhof 1649
Het zijn de twee kerkmeesters Harman Berner en Evert van der Capellen die het genoemde huis overdagen aan de “Weesmeisteren”

Het inmiddels opgerichte weeshuis, “ter eren Gaeds”, opdat de wezen “godlich, eerlich ende tuchtig regiirt geleert ende onderholden worden”.

(beide kerkmeesters waren ook betrokken bij het stichten van de Librije)

Hooiopbrengst:

De Burgemeesters schenken “de hooiopbrengst vaan een stuks lands” aan het opgerichte weeshuis. Wel met dien verstande dat als het het weeshuis voorspoedig gaat dit recht komt te vervallen. Geen echt grote vrijgevigheid van de stad. Gelukkig komen er vanuit andere kanten genoeg schenkingen om het weeshuis onderdak te laten bieden aan de wezen van Zutphen. Wat de magistraat echter wel van belang achtte waren de statuten,  de inrichting en bestuur. Daarom zonden zij twee personen naar Nijmegen en Deventer om daar te weten te komen: “wat daar voor kindern geschafft wert en wat straffe men daar de kinderen aandeed”.

Het Bussenhuis

Het weeshuis op de hoek van de Waterstraat wordt in 1567 uitgebreid met wat in 1541 als het “Bussenhuis” oftewel munitiehuis van het ’s Gravenhof bekend stond. Het bouwvallige pand eigendom van Philips II van Spanje werd door hem geschonken met dien verstande dat hij er een jaarlijkse thins van 14 stuiver voor zou ontvangen en dat de aanwezige kalk ter beschikking van de vorst zou blijven.

De wezen gingen gekleed in blauw laken met een witte bies. Zij speelden op het ’s Gravenhof en keken naar de schepen op de IJssel vanuit de Vischpoort. Ook speelden ze verstoppertje bij de muur van de Boergondische toren en onder de stenen tafels van de Vischmarkt. “Vrolijke” tijden leek het echter kort na de oprichting volgde de 80-jarige oorlog. Afwisselend Spaanse en Staatse bezettingen, plunderingen van kerken en kloosters, moorden en mishandeling. Met als triest hoogtepunt de Spaanse bezetting door Don Fredrique in 1572 die vele inwoners de dood injaagt.

Verarming

Het rijke Zutphen verarmt en heeft zelfs geen geld om een lijn aan te schaffen voor het pont over  de IJssel. Pas na 1591 ontstond een relatief rustiger periode. Maurits had de stad veroverd op de Spanjaarden en er werd een aanvang gemaakt met het bouwen van nieuwe verdedigingswerken. Een gordel van bolwerken werd aangelegd. Dat de voorafgaande periode veel nieuwe weeskinderen had voortgebracht blijkt onder andere uit het feit dat de Lombardhouder jaarlijks verplicht werd om
F 25,00 aan het weeshuis uit te keren.

Hoe het tij kan keren blijkt uit de volgende bekendmaking: “Vermist de kleijne quantiteit van kinderen en de redelijke situatie van des huis Finentiën verstaan, dat de Provisoren met de ommeganck door de stad om geld sullen supersenderen, totdat de noot sulks weer vereijscht”.

Na bijna honderd jaar te zijn gehuisvest aan het ’s Gravenhof werd besloten het weeshuis te verplaatsen. In 1663 verhuisde het burgerweeshuis van de Waterstraat naar het Rondeel aan het Hagepoortplein. Hier zou het burgerweeshuis bijna 250 jaar gevestigd blijven.

Dit voormalige vrouwenconvent was leeg komen te staan en vervolgens werd het “oude” weeshuis door de stad verkocht. De nieuwe locatie nam een groot deel van het tegenwoordige Hagepoortplein in. De poort die toegang gaf tot het terrein lag aan het eind van het Rijkenhagen, gericht op wat we tegenwoordig de Overwelving noemen.

Door verstandig beheer van erfenissen en schenkingen werd het weeshuis rijk aan bezittingen, wat de wezen ten goede kwam. De wezen werden onderricht in lezen, schrijven een handwerk en vrouwelijke vaardigheden. Daarnaast werd men gestimuleerd om cursussen en verdere studie te volgen.

Een roemrucht einde:

Rond 1853 wordt besloten het Rondeel grondig te vernieuwen. Een deel va het pand werd gesloopt en er kwam een degelijk bouwwerk voor in de plek. Burgemeester en Wethouders van de stad besluiten in 1880 dat de huizen vanaf het Rijkenhage lopende naar het Hagepoortje  dienen te verdwijnen. Dit  om de doorgang in de stad te verbreden. Het poortje wordt verplaatst en de beelden die er op stonden worden niet terug geplaatst. Als in 1895 de gemeente het Burgerweeshuis met tuin besluit te kopen betekent dat het einde van een roemruchte periode.

Het Hospitaal van de Koloniale reserve wordt in het pand ondergebracht. De stichting Burgerweeshuis Zutphen bestaat echter nog steeds.

 Burgerweeshuis' op het Hagepoortplein in 1719.

Deze tekening van F. Berghuys geeft een beeld van het reeds verdwenen

'

Bron: Vierhonderd jaar Burgerweeshuis Zutphen Door H.J. van den Berg