De stadsbrief

Otto 1, graaf van Gelre en Zutphen, verleent in 1191/1196 aan Zutphen het stadsrecht, d.w.z. zelfbestuur en eigen rechtspraak. Deze akte geldt als de geboorteakte van de stad. Voor die tijd trad de schout van Zutphen namens de graaf als hoogste ambtenaar in rechte op. Er wordt een schepenbank ingesteld, bestaande uit twaalf schepenen, die voortaan de gemeenschap der burgers zal besturen en aan wie onderlinge vorderingen en andere geschillen ter beslissing dienen te worden voorgelegd.

Marktdag rond 1300

In de stadsbrief werd vastgelegd, dat voortaan noch de graaf, noch zijn hofmeijer noch enig ander vertegenwoordiger van de graaf voordeel zou genieten van door de schepenen opgelegde boetes: deze zouden ten algemene nutte worden gebruikt. Ook werd het gerechtelijke tweegevecht, dat in duistere zaken nogal eens als 'bewijsmiddel' werd gebruikt, afgeschaft.
Behalve zelfbestuur en rechtspraak kreeg de stad ook belangrijke privilegiën op het gebied van handel, nl. vrijdom van belastingen en tollen:
Kooplieden die voor de – toen reeds ingestelde- markt op donderdag naar Zutphen kwamen werden vrijgesteld van tol, mits zij vrijdag weer vertrokken.
Schepen die Zutphen aandeden werden eveneens vrijgesteld van tol , destijds een drukkende last voor de koopman, mits zij terugkeerden, vanwaar zij gekomen waren en niet verder voeren.
Deze bestuurs- en handelsprivileges vormden de grondslag van eeuwen groei en bloei van de stad Zutphen.
Het College van Schepenen had een groot takenpakket:

In de eerste plaats droeg zij zorg voor het bestuur van de stad, voorts oefende zij de wetgevende macht binnen de stad en haar Schependom uit, alsmede de rechtspraak over de ingezetenen in civiele (vanaf de twaalfde eeuw) en in criminele zaken (met zekerheid vanaf de zestiende eeuw). Zij fungeerde als hoger rechts- en appèlcollege voor een aantal binnen en buiten de directe omgeving liggende steden. Door de arbeidsintensieve werkzaamheden waren binnen het schepencollege de taken zodanig verdeeld, dat de leden steeds paarsgewijs bepaalde functies uitoefenden. Zo kende men onder meer de ambten van:

Richter
Burgemeester/zegelaar, voor het eerst vermeld in 1378, belast met het toezicht op verkeer, waterstaat en de verkoop van levensmiddelen, en in een later stadium de ontvangst van gasten.
Tentmeester
Timmermeester,dienden toezicht te houden op de stedelijke bouwwerken, houtopstanden en overige begroeiingen.
Politiemeester, belast met het toezicht op de waag, gewichten, ellen en maten. Zij dienden bovendien éénmaal per jaar in de stad viasitatie te verrichten.
Weg- en Weidemeester, belast met het toezicht op en het onderhoud van de stadsdomeinen die voornamelijk buiten de stadsmuren waren gesitueerd.
Het zittingsjaar van het College begon op Petri ad Cathedram, 22 februari, ’s morgens om 9.00 uur. Een nieuw gekozen Schepen diende zijn mede-schepenen een feestmaal, een roetert, aan te bieden.
Uit oude geschriften blijkt, dat in de volgende eeuwen iedere donderdag (marktdag) twee schepenrichters in de rechtszaal, destijds het Vleyschhuus, thans de Burgerzaal, hun vonnissen uitspraken. Zij kregen hier een presentiegeld voor en werden om de twee maanden door en uit het schepencollege benoemd: zo kwamen alle twaalf schepenen in één jaar aan de beurt. Vonnissen werden onder klokgelui en met open deuren uitgesproken, behalve als er kinderen bij betrokken waren.

 

Bron Tentoonstelling Justietiestad.