Algemene begraafplaats

Zo werd in 784 onder het bewind van Karel de Grote al een verbod op cremeren afgekondigd. Crematie was volgens Karel de Grote in strijd met de opvatting dat er na de dood een wederopstanding zou plaats hebben waarbij het lichaam zijn aardse gestalte weer zou aannemen. In overeenstemming met de leer konden leden van de Christelijke gemeente, begraven worden in of om de kerk. Voor een plekje in de kerk moest een aanzienlijke som geld worden betaald. Het was dan ook alleen voor de rijken weggelegd om zo'n plekje te bemachtigen. De uitdrukking 'daar heb je weer zo'n rijke stinkerd' komt dan ook uit de periode dat de geur van ontbinding in de kerk hing. Afgunstige lieden voor wie een plek in de kerk er niet in zat zullen dit tijdens een dienst hebben gezegd. Voor hen was een plek buiten de kerk.
Als we rondom de Walburgiskerk lopen, kun je in de muren uitgebeitelde nummers zien. Deze nummers gaven de plaats aan van de graven rondom debegrpl_alg-(10) kerk. De naam van deze plaats achter de kerk waar we deze nummer vinden is uiteraard 'Kerkhof'. Begraven was toen ter tijd een bron van inkomsten voor de kerk. Zo waren er behalve in en rondom de Walburgiskerk ook begraafplaatsen bij de Broederenkerk en de Nieuwstadskerk. Vanaf midden 15e eeuw werd door de franciscanen-observanten in hun klooster Galilea, ook de mogelijkheid tot begraven geboden. Priesters en religieuze vrouwen in de Agnietenkapel aan de Oude Wand werden eveneens onder de vloer van de kapel begraven.
In de loop van de 18e eeuw kwamen er onder invloed van de verlichting bezwaren tegen het begraven in de kerk. Bewustwording van de algemene hygiëne versnelde dit proces. In Parijs werd in 1765 een verbod op begraven binnen de bebouwde kom uitgevaardigd. Dit was de aanzet tot regelgeving omtrent het begraven wat uiteindelijk zou leiden tot een Koninklijk Besluit in 1827, waarin werd vastgelegd dat vanaf 1829 geen begraving meer mocht plaats vinden binnen de bebouwde kom. Dit besluit was de aanleiding voor de aanleg van Zutphens eerste Algemene Begraafplaats.
begrpl_alg-(11)Op basis van een lijvig rapport besluit de gemeenteraad op 2 februari 1828 dat de Gasthuiskamp, een terrein dat rechts van de straatweg naar Warnsveld ligt wordt aangewezen voor de aanleg van de begraafplaats. Er zal volgens voorschriften een gracht omheen gegraven moeten worden en de hieruit vrijkomende aarde dient te worden gebruikt om het terrein op te hogen. Nader onderzoek toont echter aan dat het aangewezen terrein te laag ligt. De raad besluit dan om de Galileënkamp die zich aan de overkant van de straatweg bevindt te bestemmen voor de aanleg.
Nadat er enkele architecten zijn benaderd wordt uiteindelijk het ontwerp van architect Zocher aanvaard. Er worden allerlei wetten aangepast om de begraving maar ook om de financiële zaken goed geregeld te krijgen. De begraafplaats dient ordelijk verzorgd te worden echter in 1868 blijkt al dat er een groot aantal graven verzakt zijn of andere gebreken vertonen. Aardig feit is dat men een besluit uitvaardigt waarin het de opzichter verboden wordt om koebeesten, varkens, geiten, schapen of bokken te laten grazen.
De Engelse landschapsstijl waarin de begraafplaats naar het ontwerp van Zocher was aangelegd is momenteel onderwerp van gesprek. Het gemeentebestuur van Zutphen wil dat de dodenakker weer haar romantische uitstraling van vroeger krijgt.